Brightwell

Bright [brait] 0.1 helder (ook fig.) =>licht, stralend 0.2 intelligent => schrander, pienter 0.3 opgewekt =>opgeruimd, vrolijk

Well [wel] I (telb.zn.) 0.1 bron (ook fig.); II (n.-telb.zn.) 0.1 het beste; (bn.; better [’bete], best [best]) 0.1 goed =>in orde, naar wens 0.2 raadzaam =>wenselijk; (bw.; better, best) (-> sprw. 202) 0.1 op de juiste/goede manier => goed, naar wens 0.2 zorgvuldig => grondig, door en door 0.3 gunstig => vriendelijk, goedkeurend 0.4 verstandig 0.5 fortuinlijk => voordelig